Inleiding
Een eigenaar liet zijn Fiat Spider 124 restaureren en repareren. Er ontstond discussie over de rekening, het vasthouden van de auto en de gevraagde stallingskosten. De eigenaar vroeg daarnaast een vergoeding voor lak- en carrosserieschade.
Kern van de uitspraak
De kantonrechter vond dat de kosten in het werkplan een schatting waren. De eigenaar had extra werkzaamheden gevraagd en in berichten toegezegd de factuur te betalen. Volgens de beslissing moest hij € 8.689,92 inclusief btw aan reparatiekosten betalen. De garage mocht de auto in deze zaak onder zich houden. Haar stallingskosten werden afgewezen omdat zij de daadwerkelijk gemaakte kosten onvoldoende had onderbouwd. Ook de schadeclaim van de eigenaar was onvoldoende onderbouwd.
Juridische context
De rechter beoordeelde de prijsafspraak aan de hand van het werkplan en de berichten tussen partijen. Voor het vasthouden van de auto besprak hij het retentierecht en de zorg voor de auto. Bij de tegenvordering over lak- en carrosserieschade keek hij naar de onderbouwing door de eigenaar en de betwisting door de garage. Deze uitkomst is geen algemene regel dat iedere openstaande factuur het vasthouden van een auto rechtvaardigt.
De zaak in eenvoudige woorden
De eigenaar moest de reparatierekening betalen. De garage kreeg geen vergoeding voor het stallen, omdat zij die kosten niet voldoende had onderbouwd. Dat betekent niet dat de rechter bewezen achtte dat alle kosten nul waren. De eigenaar kreeg ook geen schadevergoeding voor de lak en carrosserie.
Lessen voor consumenten
- Leg vast of een prijs een schatting of een vaste afspraak is.
- Bewaar afspraken over extra werkzaamheden en betalingen.
- Vraag bij stallingskosten welke kosten zijn gemaakt en waarop de vordering berust.
- Leg de staat van uw auto bij inlevering en ophalen vast met foto’s.
Relevante wetsartikelen
- Artikel 3:290 BW en artikel 3:293 BW: het in deze zaak besproken retentierecht.
- Artikel 6:27 BW: zorg voor de af te leveren zaak.
- Artikel 5:2 BW, artikel 6:119 BW en artikel 6:96 lid 6 BW: overige besproken bepalingen.
Volledige tekst van de uitspraak (ECLI:NL:RBLIM:2026:10708)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12114545 \ CV EXPL 26-806
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[het autobedrijf] V.O.F.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie;
gemachtigde: mr. H.P. van der Linden (DAS Rechtsbijstand),
tegen
[de opdrachtgever]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [het autobedrijf] en [de opdrachtgever] worden genoemd.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, aangevuld met een kort vastgelegd mondeling antwoord
de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie
de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie
de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten in conventie en reconventie
2.1.
[het autobedrijf] is een autobedrijf dat zich bezighoudt met het repareren en onderhouden van motorvoertuigen en de handel daarin. Medio februari 2024 heeft [de opdrachtgever] contact opgenomen met [het autobedrijf] voor de restauratie en reparatie van de door hem in Duitsland gekochte Fiat Spider 124 (hierna: de auto).
2.2.
Nadat [het autobedrijf] de auto heeft onderzocht en partijen elkaar hierover hebben gesproken, heeft [het autobedrijf] een ABC-werkplan opgesteld. Op 18 maart 2024 heeft [het autobedrijf] het werkplan naar [de opdrachtgever] toegezonden. Voor de werkzaamheden zoals in het werkplan is genoemd, is een bedrag opgenomen van € 6.050,00 inclusief btw. In de email staat:
“(…)
Ik ben verdergegaan met de Spider en wat dingen uitgezocht. In het bijgevoegd excel bestand staan de geschatte kosten. Dit zijn de kosten zonder de extra werkzaamheden welke jezelf opgeeft.
(…)”
2.3.
[de opdrachtgever] reageert diezelfde dag terug per email en hij schrijft het volgende.
“ (…) Dank je – dat was idd de schatting. Komt dan nog +- 1500 bij van de onderdelen die ik had uitgezocht. Geef maar een seintje als je gaat/kunt beginnen. (…)”
2.4.
[het autobedrijf] start met de werkzaamheden. Tussendoor wordt [de opdrachtgever] door [het autobedrijf] geïnformeerd. Op 22 september 2024 laat [het autobedrijf] per email [de opdrachtgever] weten dat de auto rijklaar is. Partijen zien elkaar op 24 september 2024 en bekijken ze de gedane werkzaamheden. Diezelfde dag stuurt [de opdrachtgever] een email aan [het autobedrijf] met het bericht dat hij blij is dat de auto technisch in orde is. Verder noemt [de opdrachtgever] een paar dingen die nog dienen te worden uitgevoerd door [het autobedrijf] .
2.5.
Vervolgens stuurt [het autobedrijf] op 2 oktober 2024 een bericht aan [de opdrachtgever] dat de auto rijklaar is. Direct komt [de opdrachtgever] bij [het autobedrijf] langs om een proefrit met de auto te maken. Daarna stuurt [het autobedrijf] een pro forma factuur voor de werkzaamheden welke tot dan door [het autobedrijf] aan de auto zijn verricht.
2.6.
Op 3 oktober 2024 reageert [de opdrachtgever] per email op de pro forma factuur. Hij schrijft:
“ (…)
Dank voor de pro forma – nog even samen doorlopen? Het was iets meer als de 6.500 die je had begroot. Ik zal je het adres en btw nummer doorgeven van de Duitse GmbH dan kun je het factureren zonder btw.
Denk je nog aan:
deur handel rechts
knipperlicht naar rechts
ramen
(…)
dan is ie wel klaar (…) ”
2.7.
Op 24 november 2024 laat [het autobedrijf] [de opdrachtgever] weten dat de auto definitief klaar is. De definitieve factuur is opgesteld op 22 januari 2025 voor een totaalbedrag van € 7.181,73 exclusief btw. Ondanks diverse aanmaningen van [het autobedrijf] aan [de opdrachtgever] blijft betaling van de factuur uit.
2.8.
Op 20 maart 2025 heeft [het autobedrijf] per email [de opdrachtgever] laten weten dat zij zich op haar retentierecht beroept en de auto dus onder zich houdt totdat [de opdrachtgever] de factuur heeft betaald. In diezelfde email laat [het autobedrijf] weten dat zij stallingskosten in rekening zal brengen ter hoogte van € 25,00 per dag vanaf 19 maart 2025.
2.9.
[de opdrachtgever] reageert en hij geeft aan het vervelend te vinden. De zaak heeft zijn aandacht. In afwachting van betaling stelt [de opdrachtgever] zelf voor dat [het autobedrijf] vertragingsrente in rekening brengt. [het autobedrijf] stuurt [de opdrachtgever] een factuur voor een bedrag van € 396,91 exclusief btw met omschrijving rente en staangeld. Deze factuur wordt direct betaald door [de opdrachtgever] .
2.10.
Op 8 april 2025 stuurt [het autobedrijf] een email naar [de opdrachtgever] met de mededeling dat zij heeft vernomen dat er zorgen zijn rond de financiële situatie van [de opdrachtgever] . Om die reden stelt [het autobedrijf] voor dat zij de auto van [de opdrachtgever] overneemt en als tegenprestatie [de opdrachtgever] de factuur en kosten niet meer aan [het autobedrijf] is verschuldigd. [de opdrachtgever] schrijft op 11 april 2025 dat hij het hier niet mee eens is en noemt tal van zaken welke niet goed zijn gegaan waarvoor [het autobedrijf] verantwoordelijk is.
2.11.
De betaling van de factuur is tot op heden uitbleven. [het autobedrijf] heeft de auto nog steeds onder zich.
3 Het geschil
In conventie
3.1.
[het autobedrijf] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de opdrachtgever] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [het autobedrijf] :
een bedrag van € 14.467,67
wettelijke rente over een bedrag van € 8.689,92 (reparatiekosten) vanaf 6 februari 2025, althans vanaf 29 oktober 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling
wettelijke rente over een bedrag van € 5.777,75 (stallingskosten) vanaf 29 oktober 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling
€ 25,00 per dag vanaf 1 oktober 2025 tot de dag dat [de opdrachtgever] de reparatie- en de achterstallige stallingskosten volledig heeft voldaan aan [het autobedrijf]
een bedrag van € 919,68 aan buitengerechtelijke incassokosten
de proces- en nakosten vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[het autobedrijf] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [het autobedrijf] heeft reparatiewerkzaamheden verricht aan de auto van [de opdrachtgever] . De kosten zijn bij [de opdrachtgever] terecht in rekening gebracht maar tot op heden onbetaald gebleven. [het autobedrijf] heeft ook na aanmaning geen betaling ontvangen. Dat betekent dat [de opdrachtgever] zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet is nagekomen.
3.3.
[de opdrachtgever] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, althans de hoogte van de factuur voor de reparatiewerkzaamheden te beperken tot maximaal € 6.000,00 en de overige kosten af te wijzen met veroordeling van [het autobedrijf] in de proceskosten. Er ligt een afspraak tussen partijen om de auto te repareren voor een bedrag van € 6.050,00 zoals in het ABC-werkplan is opgenomen. Over de meerkosten hebben partijen geen afspraak gemaakt. [de opdrachtgever] betwist de hoogte van de factuur van [het autobedrijf] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
[de opdrachtgever] vordert – na een wijziging van eis bij conclusie van repliek in reconventie – schadevergoeding voor herstel van lak- en carrosserieschade voor een bedrag dat net zo hoog is als het bedrag waarvan de kantonrechter meent dat [de opdrachtgever] aan [het autobedrijf] verschuldigd is.
3.6.
[de opdrachtgever] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [het autobedrijf] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. [het autobedrijf] is daarom aansprakelijk voor de lak- en carrosserieschade. [de opdrachtgever] vordert de geleden schade te verrekenen met enig door [de opdrachtgever] verschuldigd bedrag aan [het autobedrijf] .
3.7.
[het autobedrijf] betwist het bestaan van de schade aan de auto zoals [de opdrachtgever] stelt. Daarnaast betwist [de opdrachtgever] dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en zij aansprakelijk is voor lak- en carrosserieschade aan de auto.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In conventie
De beslissing
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [de opdrachtgever] een bedrag aan [het autobedrijf] moet betalen van € 8.689,92 voor het verrichten van de reparatiewerkzaamheden aan de auto op grond van de overeenkomst tot aanneming van werk. De door [het autobedrijf] gevorderde stallingskosten wijst de kantonrechter af nu [het autobedrijf] onvoldoende heeft onderbouwd dat er daadwerkelijk kosten zijn en worden gemaakt. De verschillende onderdelen van deze beslissing worden hierna toegelicht.
Inhoud van de overeenkomst
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst tot aanneming van werk, te weten restauratie en reparatie van de auto. [het autobedrijf] heeft zich tegen [de opdrachtgever] verbonden om op basis van het ABC-werkplan (reparatie)werkzaamheden te verrichten waarvoor [de opdrachtgever] een bedrag moet voldoen. In aanvulling op het ABC-werkplan, heeft [de opdrachtgever] aan [het autobedrijf] per email gevraagd om nog extra werkzaamheden uit te voeren aan de auto. De kosten van deze werkzaamheden zijn niet opgenomen in het ABC-werkplan.
4.3.
De kostprijs zoals genoemd in het ABC-werkplan bedraagt € 6.050,00 inclusief btw. Volgens [het autobedrijf] gaat het hier om geschatte kosten omdat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden pas duidelijk wordt hoe de werkelijke toestand is van de onderdelen van de auto. [de opdrachtgever] betwist dat de kosten zijn geschat. Volgens [de opdrachtgever] hebben partijen een vaste prijsafspraak gemaakt voor een bedrag van € 6.050,00 inclusief btw.
4.4.
Gelet op de erkenning van [de opdrachtgever] stelt de kantonrechter vast dat in ieder geval een bedrag van € 6.050,00 inclusief btw toewijsbaar is. Hetgeen partijen nog verdeeld houdt is de vraag of [het autobedrijf] meer in rekening mocht brengen. [het autobedrijf] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij hebben afgesproken dat sprake is van een schatting, diverse e-mails en correspondentie tussen partijen overgelegd. Op basis van deze stukken oordeelt de kantonrechter dat het voor [de opdrachtgever] voldoende duidelijk moest zijn dat het hier om geschatte kosten ging. Daarnaast heeft [de opdrachtgever] gevraagd om nog extra werkzaamheden uit te voeren welke [het autobedrijf] ook heeft gedaan. [de opdrachtgever] heeft zelfs in een email aan [het autobedrijf] geschreven dat hij verwacht dat bovenop de € 6.050,00 inclusief btw nog € 1.500,00 aan extra kosten zal bijkomen. Verder blijkt uit de overgelegde correspondentie dat [de opdrachtgever] diverse malen aan [het autobedrijf] heeft bevestigd dat hij de volledige factuur zal gaan betalen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden [de opdrachtgever] een bedrag moet betalen van € 8.689,62 inclusief btw voor het verrichten van de (reparatie)werkzaamheden aan de auto. Dit bedrag zal de kantonrechter dan ook toewijzen.
Retentierecht en stallingskosten
4.5.
Voor de vraag of [het autobedrijf] aanspraak heeft op vergoeding van eventuele stallingskosten dient eerst beoordeeld te worden of [het autobedrijf] zich op het retentierecht mag beroepen.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto eigendom is van [de opdrachtgever] . De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt op te eisen. [het autobedrijf] is daarom in beginsel gehouden de auto aan [de opdrachtgever] af te geven. [het autobedrijf] heeft echter gesteld dat hij de auto onder zich houdt omdat [de opdrachtgever] de factuur onbetaald laat. [het autobedrijf] doet hiermee een beroep op het retentierecht. Het retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet genoemde gevallen aan schuldeisers toekomt, dit om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten tot de vordering wordt voldaan.
4.7.
Beoordeeld moet worden of [het autobedrijf] zich terecht beroept op haar retentierecht of dat zij de auto zonder titel onder zich houdt. [de opdrachtgever] heeft gesteld dat [het autobedrijf] zonder voorafgaand overleg meer werkzaamheden aan de auto heeft verricht dan was afgesproken. Hij vindt dat [het autobedrijf] daarom geen aanspraak maakt op betaling van de kosten van meerwerk en de bijbehorende materialen. Volgens [de opdrachtgever] heeft [het autobedrijf] alleen opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten voor het bedrag zoals genoemd in het ABC-werkplan. Dus € 6.050,00 inclusief btw. Hierover heeft de kantonrechter al geoordeeld en beslist dat [de opdrachtgever] een bedrag moet voldoen aan [het autobedrijf] ter hoogte van € 8.689,62 inclusief btw. Nu daarnaast vaststaat dat [het autobedrijf] in het geheel geen betaling van haar factuur heeft ontvangen, oordeelt de kantonrechter dat [het autobedrijf] terecht een beroep doet op haar retentierecht.
4.8.
Het retentierecht kan mede worden uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser, hier [het autobedrijf] , heeft moeten maken ter zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de zaak in acht met nemen. [het autobedrijf] heeft op grond van de wet de zorgplicht om de auto in goede staat te houden totdat de auto is opgehaald of afgeleverd. Uit de wet volgt daarmee dat [het autobedrijf] , zolang de auto bij [het autobedrijf] staat, de redelijke kosten voor de stalling en het onderhoud moet betalen.
4.9.
[het autobedrijf] heeft [de opdrachtgever] ervan in kennis gesteld dat zij per 19 maart 2025 stallingskosten in rekening zal brengen voor € 25,00 per dag. Hierover merkt [het autobedrijf] op dat de auto binnen in de showroom gestald staat. Daarnaast wordt de auto onderhouden door onder andere de accu te laden en de bandendruk op peil te houden. [de opdrachtgever] betwist deze kosten. Dit betekent dat [het autobedrijf] moet onderbouwen dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt en nog steeds maakt. Dit heeft [het autobedrijf] niet gedaan. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat voor het stallen van een auto in de showroom bij een garage in beginsel geen kosten met zich mee zal brengen. Door [het autobedrijf] wordt dit ook niet onderbouwd. De kantonrechter wijst de vordering tot betalen van stallingkosten dan ook af.
Wettelijke rente
4.10.
De wettelijke rente zoals genoemd in artikel 6:119 BW over de te betalen hoofdsom van € 8.689,92 zal worden toegewezen vanaf 6 februari 2025, zijnde de datum dat [de opdrachtgever] in verzuim is.
[de opdrachtgever] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.11.
[het autobedrijf] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 919,68. De kantonrechter stelt vast dat [de opdrachtgever] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [het autobedrijf] heeft aan [de opdrachtgever] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Verder stelt de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten vast aan de hand van de te betalen hoofdsom en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [de opdrachtgever] wordt veroordeeld tot betaling van € 8.689,92 zal hij over dat bedrag € 809,50 aan buitengerechtelijke incassokosten moeten betalen.
In reconventie
[het autobedrijf] is niet tekortgeschoten
4.12.
Ter onderbouwing van de stelling dat de auto door een tekortkoming aan de zijde van [het autobedrijf] schade heeft opgelopen, stelt [de opdrachtgever] enkel dat er schade aan de auto is in de vorm van lak- en carrosserieschade en [het autobedrijf] als houder en bewaarnemer hiervoor aansprakelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat [de opdrachtgever] de grondslag van zijn vordering alsook de hoogte van zijn vordering op geen enkele wijze heeft onderbouwd. [het autobedrijf] heeft de stelling van [de opdrachtgever] dat er sprake is van schade aan de auto waarvoor [het autobedrijf] aansprakelijk kan worden gesteld gemotiveerd betwist. Zo geeft [het autobedrijf] aan dat de carrosserie nog hetzelfde is als toen de auto bij [het autobedrijf] is afgeleverd. Er zit een klein deukje in het linker portier en wat lakschade aan de achterzijde. [het autobedrijf] heeft in het ABC-werkplan zelfs opgenomen dat er sprake is van diverse lakschade. Voor het herstellen van deze schade heeft [het autobedrijf] verwezen naar een spuit/herstelbedrijf aangezien [het autobedrijf] deze werkzaamheden niet verricht. [de opdrachtgever] heeft deze stelling van [het autobedrijf] niet weersproken, waardoor de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan.
4.13.
De kantonrechter begrijpt dat [de opdrachtgever] een beroep doet op de verplichting dat [het autobedrijf] de auto terug dient te geven in (in ieder geval) dezelfde staat als waarin [de opdrachtgever] de auto bij [het autobedrijf] heeft afgegeven. Deze verplichting vloeit voort uit de overeenkomst van aanneming tussen partijen. Het is aan [de opdrachtgever] om te stellen – en bij voldoende betwisting zo nodig te bewijzen – dat de auto schade heeft opgelopen tijdens de bewaring bij [het autobedrijf] . Omdat [de opdrachtgever] dit niet heeft gedaan, heeft [de opdrachtgever] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst de vordering van [de opdrachtgever] dan ook af.
[de opdrachtgever] moet de proceskosten vergoeden in conventie en reconventie
4.14.
[de opdrachtgever] heeft in conventie en reconventie grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten van [het autobedrijf] betalen. Die proceskosten worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
127,08
– griffierecht
€
1.504,00
– salaris gemachtigde
€
1.296,00
(3 punten × € 432,00)
– nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.071,08
4.15.
De door [het autobedrijf] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen nadat [de opdrachtgever] is aangeschreven.
4.16.
Als [de opdrachtgever] niet binnen veertien dagen nadat [het autobedrijf] daar schriftelijk om heeft verzocht aan de veroordelingen voldoet en [de opdrachtgever] het vonnis daarna door een deurwaarder laat betekenen, moet [de opdrachtgever] € 144,00 extra betalen (nakosten) plus de kosten van betekening. Ook daarover is [de opdrachtgever] dan wettelijke rente verschuldigd en wel vanaf de dag van de betekening.
De uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.17.
[het autobedrijf] heeft gevraagd om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en dat wordt toegewezen. Dat betekent dat de veroordelingen direct moeten worden nagekomen door [de opdrachtgever] en dat het vonnis haar werking behoudt als hoger beroep wordt ingesteld, totdat de rechter in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.
5 De beslissing
De kantonrechter
In conventie:
5.1.
veroordeelt [de opdrachtgever] om aan [het autobedrijf] te betalen een bedrag van € 8.689,92 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de opdrachtgever] om aan [het autobedrijf] te betalen een bedrag van € 809,50 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie:
5.4.
wijst de vorderingen af.
In conventie en reconventie:
5.5.
veroordeelt [de opdrachtgever] in de proceskosten van € 3.071,08 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarmee wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Berends en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Artikel 5:2 BW
Artikel 3:290 BW
Artikel 3:293 BW
Artikel 6:27 BW
een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Bron: ECLI:NL:RBLIM:2026:10708 op Rechtspraak.nl (Rechtbank Limburg, 14 October 2026).
Deze pagina geeft algemene informatie over een openbare uitspraak. Het is geen juridisch advies voor uw situatie. Aan deze informatie kunt u geen rechten ontlenen. Elke zaak is anders. Vraag bij twijfel advies aan een advocaat of juridisch adviseur. De volledige en officiële tekst staat op Rechtspraak.nl.