Wat speelde er in de zaak over de BPM naheffing Mercedes GLC 2026 schade?
In deze zaak stond de berekening van de Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) voor een Mercedes-Benz GLC-klasse centraal. Een bedrijf (belanghebbende) had een naheffingsaanslag van de Belastingdienst gekregen van €5.190 extra BPM. Het bedrijf was het hier niet mee eens. Zij vonden dat de auto minder waard was door schade en een schadeverleden, waardoor er minder BPM betaald hoefde te worden.
Het ‘mandaatverbod’ en de uitspraak
Een van de eerste punten die het bedrijf aanvoerde, was dat de beslissing van de Belastingdienst (de uitspraak op bezwaar) misschien niet geldig was. Dit heet het ‘mandaatverbod’. Het bedrijf dacht dat de mensen die de naheffingsaanslag hadden opgesteld en die later de bezwaarzaak behandelden, dezelfde waren. Dit is niet toegestaan, om ervoor te zorgen dat elke zaak eerlijk en onafhankelijk wordt beoordeeld. De rechtbank heeft onderzocht of dit klopte. Uiteindelijk bleek dat de Belastingdienst met bewijzen kon aantonen dat verschillende personen bij de verschillende stappen betrokken waren. Het argument van het bedrijf hierover werd daarom afgewezen.
Schade en WOK-status: Invloed op de autowaarde voor BPM?
Het belangrijkste twistpunt ging over de waarde van de Mercedes-Benz GLC-klasse. Het bedrijf beweerde dat de auto essentiële gebreken en een schadeverleden had, waardoor de waarde lager zou moeten zijn en dus ook de te betalen BPM. De auto had namelijk op een gegeven moment een ‘WOK-status’ gekregen van de RDW. Een WOK-status (Wachten Op Keuren) betekent dat een voertuig niet de weg op mag totdat het opnieuw gekeurd is, vaak na ernstige schade. De Belastingdienst vond dat de schade die het bedrijf opvoerde, niet goed was bewezen en dat de WOK-status later was geregistreerd dan het moment van de aangifte.
De rechtbank oordeelde dat het bedrijf niet voldoende had laten zien dat de auto essentiële gebreken had op het moment van aangifte. Ook de WOK-status was van latere datum. Het bedrijf kon niet aannemelijk maken dat er meer schade was dan de Belastingdienst al had meegenomen in de waardebepaling. Gewone gebruiksschade of een schadeverleden konden de waarde niet verder omlaag brengen, omdat dit onvoldoende was onderbouwd.
Taxatiemethode of koerslijstmethode?
Voor het bepalen van de BPM mag een auto gewaardeerd worden via een taxatierapport of een officiële koerslijst, zoals de Xray-koerslijst. Omdat het bedrijf de schade niet aannemelijk kon maken, ging de rechtbank niet mee in een lagere waarde op basis van schade. Het bedrijf probeerde toen de koerslijstmethode te gebruiken, met een correctie voor schadeverleden. Maar ook hier volgde de rechtbank het bedrijf niet, omdat de schadevermindering niet was bewezen. Hierdoor bleef de BPM zoals berekend door de Belastingdienst, gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel, staan.
Vergoeding voor te lange procedure
Hoewel het bedrijf de zaak over de BPM-hoogte verloor, kreeg het wel een vergoeding. De rechtbank stelde vast dat de procedure te lang had geduurd: de redelijke termijn van twee jaar was met maar liefst 17 maanden overschreden. Het bedrijf kreeg daarom een immateriële schadevergoeding van €1.500. Een deel hiervan (€441,18) moet door de Belastingdienst betaald worden en het grootste deel (€1.058,82) door de Staat der Nederlanden. Ook de proceskosten voor het indienen van dit verzoek werden gedeeltelijk vergoed.
Meer informatie over dit onderwerp vindt u op onze pagina over lease, financiering en belastingen.