Wat is er gebeurd met de Bentley Flying Spur 2014?
Stelt u zich voor: u koopt een dure auto, een Bentley Flying Spur uit 2014, en u vraagt specifiek of het een schadeauto is. De verkoper zegt ‘nee’. Maar na de koop blijkt dat de auto wel degelijk in het verleden ernstige schade heeft gehad. Dit is precies wat er gebeurde in een zaak voor de Rechtbank Den Haag, waar een koper (eiser) een Bentley kocht van een verkoper (gedaagde). De koper meende dat de verkoper onjuiste informatie had gegeven over het schadeverleden van de auto, wat leidde tot een beroep op dwaling, oftewel een ‘onjuiste voorstelling van zaken’. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op onze pagina aankoop-gebreken.
De onthullende uitkomst van het deskundigenonderzoek
Om te bepalen of de Bentley Flying Spur uit 2014 inderdaad een schadeauto was, schakelde de rechtbank een onafhankelijke deskundige in, DEKRA. Dit onderzoek bracht aan het licht dat de auto meerdere keren schade had gehad, waaronder een ‘zeer aanzienlijke’ schade aan de rechterachterzijde door een aanrijding in 2017. De deskundige concludeerde zelfs dat er sprake was van ‘slecht herstelde schade’ en een ‘misvorming in een ernstige mate’. De rechter vond de bevindingen van de deskundige overtuigend en stelde vast dat de verkoper de koper inderdaad een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven door te zeggen dat de auto geen schadeauto was.
Dwaling en de gevolgen voor de koopovereenkomst
Omdat de koper de auto niet zou hebben gekocht als hij had geweten van het ernstige schadeverleden, oordeelde de rechtbank dat er sprake was van dwaling. Dit betekent dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de verkoper de volledige koopsom van bijna 100.000 euro moet terugbetalen, plus de wettelijke rente vanaf het moment dat de koper de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigde. De koper moet op zijn beurt de auto teruggeven aan de verkoper.
Waarom andere vorderingen van de koper werden afgewezen
Naast de teruggave van de koopsom, eiste de koper ook een schadevergoeding voor onder andere kosten voor verzekering, wegenbelasting en een boete voor het vroegtijdig aflossen van leasetermijnen. Ook vorderde de koper de teruggave van een zonnebril en wandelstok die in de auto lagen en vermist raakten na herstelwerkzaamheden. De rechtbank wees deze vorderingen echter af. Voor schadevergoeding bij dwaling is een aparte juridische basis nodig (zoals een onrechtmatige daad), en de koper had hier onvoldoende onderbouwing voor gegeven. Wat betreft de vermiste spullen kon de koper niet bewijzen dat de verkoper deze nog onder zich had.
De waarheidsplicht en proceskosten
Een opmerkelijk aspect van deze zaak was dat de koper zelf een aanrijding had gehad met de Bentley ná de aankoop, maar dit niet had gemeld aan de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de koper hiermee de ‘waarheidsplicht’ (artikel 21 Rv) had geschonden. Hoewel dit niet leidde tot afwijzing van de hoofdvordering over de dwaling (omdat die schade ná de koop irrelevant was voor de dwaling), had het wel gevolgen voor de proceskosten. De rechtbank trok een deel van de advocaatkosten van de koper af als straf voor het niet volledig en naar waarheid aanvoeren van de feiten. Uiteindelijk moest de verkoper wel het grootste deel van de proceskosten en de kosten van het deskundigenonderzoek betalen, omdat hij in het ongelijk werd gesteld over de hoofdzaak.