Wat speelde er in de BPM-zaak van [X] B.V. in 2022?
In de zaak die voor de Hoge Raad kwam in 2022 stond het autobedrijf [X] B.V. tegenover de staatssecretaris van Financiën. Het bedrijf had in 2017 dertig nieuwe personenauto’s geïmporteerd uit andere EU-landen. Deze auto’s waren al in januari of februari 2017 in die landen op de openbare weg toegelaten. Toen de auto’s later, tussen medio 2017 en eind 2018, in Nederland werden ingeschreven en op naam gezet, wilde [X] B.V. het lagere BPM importtarief 2016 toepassen. Dit leidde tot een geschil over de te betalen Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM).
Waarom wilde [X] B.V. een lager BPM-tarief?
De kern van het geschil draaide om artikel 16a van de Wet bpm, zoals die tot 2022 gold. Deze oude overgangsregeling maakte het mogelijk om voor nieuwe auto’s die in jaar X werden ingeschreven bij de RDW, maar pas in januari of februari van jaar X+1 op naam werden gesteld, het lagere BPM-tarief van jaar X te gebruiken. Dit was oorspronkelijk bedoeld om administratieve problemen te voorkomen als de BPM-bedragen op de papieren kentekenbewijzen niet klopten na een tariefswijziging.
[X] B.V. stelde dat zij ongelijk werden behandeld. Zij meende dat Nederland, op basis van het Europese recht (artikel 110 VwEU over het verbod op discriminerende belastingen), verplicht was om het gunstigere 2016-tarief toe te passen. Dit gold immers ook voor vergelijkbare nieuwe auto’s die al in Nederland aanwezig waren en onder de overgangsregeling vielen.
Wat beslisten de rechters?
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat het 2017-tarief van toepassing was. De reden hiervoor was dat de auto’s van [X] B.V. niet in 2016 in een ander EU-land waren geregistreerd, maar pas in januari/februari 2017. Bovendien waren ze in Nederland pas ná 1 maart 2017 op naam gesteld. Hiermee voldeden ze niet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van artikel 16a Wet bpm voor het toepassen van het 2016-tarief.
De Advocaat-Generaal (A-G) bij de Hoge Raad adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep van [X] B.V. ongegrond te verklaren. Hij concludeerde dat de 30 auto’s niet voldeden aan de criteria: ze waren niet in 2016 elders in de EU geregistreerd én niet vóór maart 2017 in Nederland op naam gesteld. De A-G erkende wel dat de oorspronkelijke reden voor artikel 16a (oude tekst) vervallen was na de invoering van de digitale kentekencard, wat leidde tot een onterecht onderscheid tussen bepaalde binnenlandse auto’s. Dit onderscheid hielp [X] B.V. echter niet in hun specifieke situatie.
BPM-regels gewijzigd in 2022
Vanaf 1 januari 2022 is de Wet bpm aangepast. Het belastbare feit is nu alleen de inschrijving in het kentekenregister; de tenaamstelling is niet langer onderdeel van de BPM-plicht. Ook artikel 16a Wet bpm is gewijzigd. De nieuwe regeling heeft als doel te voorkomen dat handelaren auto’s te lang kunnen ‘hamsteren’ tegen een ouder, lager tarief. Auto’s die vóór een tariefswijziging zijn ingeschreven, worden toch tegen het nieuwe (hogere) tarief belast als ze niet binnen twee maanden na die tariefswijziging op naam worden gesteld.
Conclusie van de zaak: Geen lager BPM importtarief 2016 voor de importauto’s
Uiteindelijk heeft [X] B.V. de zaak verloren. De Hoge Raad heeft het advies van de Advocaat-Generaal overgenomen, wat betekent dat het cassatieberoep ongegrond is verklaard. De dertig geïmporteerde auto’s moesten dus worden belast tegen het hogere BPM-tarief van 2017.