Wat is er gebeurd?
In 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een belangrijke uitspraak gedaan over de berekening van de BPM afschrijving importauto Koerslijst P. Een autobedrijf, genaamd Belanghebbende, importeerde in 2000 meerdere exclusieve auto’s uit Duitsland. Hiervoor betaalde het bedrijf een fors bedrag aan BPM (Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen). Het bedrijf was het hier echter niet mee eens en vond dat er te veel belasting was betaald.
De kern van de zaak draaide om twee belangrijke vragen: mocht het autobedrijf een speciale waardelijst (Koerslijst P) gebruiken voor de afschrijving van de BPM, en moest bij de berekening worden uitgegaan van een ‘marge-auto’ of een ‘btw-auto’?
De belastingdienst deed een toezegging
Jarenlang voerde het autobedrijf procedures tegen de Belastingdienst. Tijdens gesprekken in 2014, in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad over ‘nieuwe’ of ‘gebruikte’ auto’s, deed een medewerker van de Belastingdienst (de heer M) een toezegging. Hij zei dat als de Hoge Raad zou beslissen dat eerder in het buitenland gekentekende auto’s als ‘gebruikt’ moesten worden gezien, de afschrijving voor de BPM berekend mocht worden met behulp van Koerslijst P. De Hoge Raad besliste inderdaad dat auto’s met een buitenlands kenteken als ‘gebruikt’ werden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat het autobedrijf mocht vertrouwen op deze toezegging. Hoewel er geen vaststellingsovereenkomst was getekend, mocht het bedrijf redelijkerwijs aannemen dat de Belastingdienst akkoord ging met deze methode. Dit principe noemen we het vertrouwensbeginsel, een belangrijk punt in het bestuursrecht.
Marge-auto of btw-auto?
Een andere discussie ging over de vraag of de geïmporteerde auto’s als ‘marge-auto’ of ‘btw-auto’ moesten worden beschouwd voor de berekening van de BPM. Dit onderscheid is belangrijk, want het beïnvloedt de waarde van de auto en daarmee de hoogte van de BPM. Het Hof oordeelde dat het verschil tussen een marge-auto (waarover btw over de winstmarge wordt betaald) en een btw-auto (waarover btw over de gehele verkoopprijs wordt betaald) geen eigenschap is van de auto zelf die meeweegt in de vergelijking. Daarom mocht worden uitgegaan van de lagere inkoopwaarde van een marge-auto. Het Hof paste een korting van 5% toe op de handelswaarde van Koerslijst P voor de berekening.
Het resultaat voor het autobedrijf
Dankzij de uitspraak kreeg het autobedrijf een aanzienlijk deel van de betaalde BPM terug. De oorspronkelijke BPM van € 81.252 werd verminderd tot € 58.886. De Inspecteur moest ook rente vergoeden over het te veel betaalde bedrag. Andere claims van het autobedrijf, zoals een vergoeding voor immateriële schade (door de lange duur van de procedure) en een volledige proceskostenvergoeding, werden afgewezen. De lange duur kwam mede door een verzoek van het autobedrijf zelf om de zaak aan te houden.