Wat gebeurde er? Een aanrijding op de A2 in 2010
Op 26 oktober 2010 raakte mevrouw [eiseres], toen 33 jaar oud, betrokken bij een verkeersongeval op de snelweg A2. Haar stilstaande auto werd van achteren aangereden. De verzekeraar van de veroorzaker, ASR Schadeverzekering N.V., erkende de aansprakelijkheid voor het ongeval. Echter, over de precieze omvang van de (letsel)schade die mevrouw [eiseres] opliep, waren partijen het jarenlang niet eens. Dit is een veelvoorkomende situatie bij zaken rondom letselschade en ongevallen.
Chronische Whiplash Letselschade A2 2010 en de strijd om blijvende arbeidsongeschiktheid
Mevrouw [eiseres] kampte na het ongeval direct met nekklachten, hoofdpijn, duizeligheid en verminderde concentratie. Diagnoses spraken van een ‘postwhiplashsyndroom’ en ‘chronisch pijnsyndroom’ met lichte cognitieve stoornissen. Zij kon haar baan als country manager, een veeleisende commerciële functie, niet meer uitoefenen en werd door het UWV deels arbeidsongeschikt verklaard (37,88% in 2013).
De kernvraag in dit geschil was of de beperkingen van mevrouw [eiseres] blijvend arbeidsongeschikt hadden gemaakt en zo ja, in welke mate. Zij vorderde ruim 1,8 miljoen euro aan verlies van verdienvermogen en andere schadeposten. ASR daarentegen stelde dat er geen sprake was van blijvende arbeidsongeschiktheid en dat de eerder betaalde voorschotten de meeste schade al dekten.
Deskundigenoordelen: Cruciaal voor de uitspraak
Om duidelijkheid te krijgen, werden diverse onafhankelijke deskundigen ingeschakeld, waaronder een neuropsycholoog, psychiater, verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen. De rechtbank hechtte veel waarde aan de rapporten van verzekeringsarts Timmerhuis en arbeidsdeskundige Van der Ham, die beiden op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand kwamen. Deze deskundigen concludeerden dat er weliswaar sprake was van lichte beperkingen, maar dat deze niet leidden tot *blijvende* arbeidsongeschiktheid voor de functie die zij vóór het ongeval had. De rechtbank oordeelde dat de bezwaren van mevrouw [eiseres] tegen deze rapporten niet ‘zwaarwegend en steekhoudend’ genoeg waren om ze terzijde te schuiven.
De beslissing van de rechter
De rechtbank kwam tot de conclusie dat mevrouw [eiseres] in de periode van het ongeval (oktober 2010) tot december 2016 wel arbeidsvermogensschade heeft geleden. Na die datum werd zij echter geschikt geacht voor haar maatgevende werk, oftewel voor een functie met vergelijkbare eisen als haar oude baan. Daarnaast werd een vergoeding toegekend voor schade door benodigde huishoudelijke hulp, verlies aan zelfwerkzaamheden en een klein deel aan overige materiële schade.
Wat smartengeld betreft, kende de rechtbank een bedrag van € 10.000,- toe. Dit bedrag werd als billijk gezien, rekening houdend met de aard, duur en ernst van het letsel, de leeftijd van mevrouw [eiseres] en de invloed op haar dagelijkse leven, maar zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. De buitengerechtelijke kosten werden deels afgewezen, maar een deel voor het inschakelen van een rekenkundige werd wel toegekend.
Omdat mevrouw [eiseres] al aanzienlijke voorschotten (€ 184.465,-) had ontvangen van ASR, hoefde ASR nog een aanvullend bedrag van € 11.378,05 aan schadevergoeding, € 10.000,- aan smartengeld en € 2.200,98 aan buitengerechtelijke kosten te betalen. Vanwege de geringe toewijzing van de totale vordering, moest mevrouw [eiseres] bovendien een deel van de door ASR betaalde griffierechten terugbetalen.