Ernstig ongeval en de strijd om smartengeld
In een trieste zaak die in 2022 voor de rechter kwam, is besloten dat een slachtoffer van een verkeersongeval, de heer A., die een dwarslaesie en ernstig hersenletsel opliep, recht had op een aanzienlijk bedrag aan smartengeld. De heer A. overleed negen maanden na het ongeval aan zijn verwondingen. Dit deelgeschil ging niet alleen over de hoogte van het smartengeld, maar ook over de vraag of dit bedrag invloed mocht hebben op de schadevergoeding die zijn familie (zijn echtgenote en drie minderjarige kinderen) zou ontvangen na zijn overlijden (de zogenaamde overlijdensschade). De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat de familie van de heer A. een hoog smartengeld van €200.000 zou ontvangen en dat dit bedrag niet mocht worden verrekend met de overlijdensschade.
Wat is er precies gebeurd?
Op 20 februari 2019 reed de heer A. op zijn racefiets toen hij frontaal werd aangereden door een motorrijder die een inhaalmanoeuvre uitvoerde terwijl zijn zicht belemmerd werd door de laagstaande zon. De gevolgen waren catastrofaal: de heer A. liep zeer ernstig letsel op, waaronder ernstig hoofd- en hersenletsel, meerdere gebroken nek- en rugwervels met een complete dwarslaesie, en diverse andere breuken. Hij lag lange tijd in coma en was volledig afhankelijk van anderen. Negen maanden na het ongeluk, op 20 november 2019, overleed de heer A. aan de complicaties van zijn verwondingen. De motorrijder is later strafrechtelijk veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar op de weg.
De verzekeraar van de motorrijder, Bovemij, erkende de aansprakelijkheid. Daarna ontstond er een discussie over de hoogte van het smartengeld en of dit smartengeld zou meetellen voor de overlijdensschade van de familie. De advocaat van de familie vroeg om €250.000 aan smartengeld, terwijl Bovemij niet verder wilde gaan dan €125.000.
De begroting van het smartengeld dwarslaesie hersenletsel in 2022
Smartengeld is een vergoeding voor ‘immateriële schade’, dus leed dat niet in geld is uit te drukken, zoals pijn, verdriet en gederfde levensvreugde. Bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld kijkt de rechter naar alle omstandigheden, zoals de aard en ernst van het letsel, de duur van het lijden, en de mate van bewustzijn van het slachtoffer. Ook de manier waarop het ongeluk is veroorzaakt, speelt een rol.
De rechtbank oordeelde dat het letsel van de heer A. ‘uitzonderlijk ernstig’ was, met zowel een dwarslaesie als hersenletsel. Hij heeft negen maanden lang intens geleden, met veel pijn en angst. Wat de zaak extra schrijnend maakt, is dat de heer A. ondanks zijn beperkte bewustzijn, wel degelijk besefte wat er gebeurde en hoe zijn leven was veranderd. Hij reageerde op foto’s van zijn kinderen, werd rustig bij aanraking door zijn vrouw en toonde emoties als frustratie en succes. De rechtbank vond het ‘bijzonder treffend’ dat hij de namen van zijn familieleden probeerde te hummen en onrustig werd als zijn zoontje huilde.
Hoewel Bovemij aanvoerde dat de heer A. lange tijd in coma en met verlaagd bewustzijn verkeerde, en dat dit de vergoeding zou moeten verlagen, verwierp de rechtbank dit. De rechter benadrukte dat smartengeld ook dient als genoegdoening voor het geschokte rechtsgevoel en dat de mate waarin een slachtoffer vreugde beleeft aan het geld niet relevant is voor de vaststelling van de omvang. Het feit dat het verlies van bewustzijn zelf een gevolg was van het ongeval, versterkte dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigde dit de toekenning van een substantieel bedrag.
Uiteindelijk heeft de rechtbank, na afweging van alle omstandigheden en het vergelijken met eerdere uitspraken (waarbij de rechtbank de door de familie aangehaalde strafzaken minder vergelijkbaar vond dan de door Bovemij aangehaalde letselzaken), een smartengeld van €200.000 billijk geacht. Dit is een hoog bedrag in Nederlandse begrippen en ligt tussen de voorstellen van beide partijen in.
Smartengeld en overlijdensschade: een belangrijke scheiding
Een ander cruciaal punt in dit geschil was de vraag of het smartengeld dat aan de heer A. werd toegekend, invloed moest hebben op de overlijdensschade die zijn familie zou ontvangen. Overlijdensschade is een vergoeding voor het gemis aan levensonderhoud dat de nabestaanden van de overledene kregen. Bovemij stelde dat het smartengeld in de nalatenschap viel en zo de ‘behoeftigheid’ van de erfgenamen zou verminderen, waardoor de overlijdensschade lager uit zou vallen.
De rechtbank was het hier absoluut niet mee eens. Zij benadrukte dat smartengeld een ‘hoogstpersoonlijk karakter’ heeft. Het is bedoeld als genoegdoening en compensatie voor het leed van het slachtoffer zelf. Het is zo persoonlijk dat het niet vatbaar is voor beslag. De rechtbank trok een vergelijking met affectieschade, een vergoeding die naasten ontvangen voor het leed dat zij ondervinden door het ernstige letsel of overlijden van een dierbare. Net als affectieschade, die nooit wordt verrekend met andere schadevergoedingen, vond de rechtbank dat smartengeld niet betrokken mag worden bij de bepaling van de overlijdensschade.
Deze uitspraak is belangrijk voor iedereen die te maken krijgt met ernstige letselschade of overlijdensschade, omdat het duidelijk maakt dat smartengeld op zichzelf staat en niet ten koste gaat van andere vergoedingen die nabestaanden ontvangen. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u onze andere artikelen raadplegen.