Fietsongeval Fiat 500 Amsterdam 2012: De zaak
Stelt u zich voor: u fietst rustig over een onoverzichtelijke weg en schrikt plots van een tegemoetkomende auto, waarna u valt en ernstig letsel oploopt. Wie is dan aansprakelijk voor de schade? Deze vraag stond centraal in een rechtszaak die uiteindelijk bij het Gerechtshof Amsterdam terechtkwam. Het draait om een fietsongeval Fiat 500 Amsterdam 2012, waarbij een fietser (hierna: de fietser) ten val kwam nadat ze schrok van een Fiat 500 (hierna: de automobilist).
De fietser reed met haar man op een paaszondag in 2012 op de fiets en kwam een bocht tegen. Op hetzelfde moment reed de automobilist met zijn Fiat 500 diezelfde bocht in vanuit de tegenovergestelde richting. De fietser zag de auto, remde, stuurde naar rechts en viel. Ze brak haar pols en haar onderbeen op twee plaatsen. De rechtbank oordeelde eerder dat de automobilist niets te verwijten viel en sprak van ‘overmacht’, waardoor de fietser geen schadevergoeding kreeg. Maar de fietser liet het er niet bij zitten en ging in hoger beroep.
Wat zegt de wet? Artikel 185 WVW
In Nederland is artikel 185 van de Wegenverkeerswet (WVW) heel belangrijk bij ongevallen tussen een gemotoriseerd voertuig (zoals een auto) en een niet-gemotoriseerd voertuig (zoals een fiets). Dit artikel zegt dat de eigenaar of houder van een motorvoertuig bijna altijd aansprakelijk is voor schade die ontstaat bij een aanrijding met een fietser of voetganger, tenzij er sprake is van ‘overmacht’. Overmacht betekent dat de automobilist helemaal geen schuld heeft aan het ongeval en er niets aan kon doen om het te voorkomen. De Hoge Raad heeft hierover gezegd dat dit alleen zo is als de fout van de fietser zó onverwacht was dat de automobilist er echt geen rekening mee hoefde te houden.
In dit geval vond het Hof dat de automobilist niet volledig ‘overmacht’ kon claimen. De automobilist reed namelijk niet uiterst rechts in een onoverzichtelijke bocht met hoge begroeiing. Onder deze omstandigheden had de automobilist rekening moeten houden met onverwachte reacties van tegenliggers, zoals een fietser die schrikt en valt. De automobilist had dus voorzichtiger moeten zijn.
De ‘50%-regel’ en eigen schuld
Omdat de automobilist geen overmacht kon bewijzen, kwam de zogenaamde ‘50%-regel’ in beeld. Deze regel is er speciaal voor fietsers en voetgangers vanaf 14 jaar die bij een verkeersongeval met een motorvoertuig betrokken raken. Als de automobilist niet volledig overmacht kan aantonen, maar de fietser wel fouten heeft gemaakt (zonder opzet of bewuste roekeloosheid), dan krijgt de fietser altijd minimaal 50% van de schade vergoed. Dit komt door de gevaarzetting van het motorvoertuig.
Het Hof oordeelde dat ook de fietser eigen schuld had aan het ongeval. Zij had haar rijgedrag onvoldoende aangepast aan de onoverzichtelijke situatie en had rekening moeten houden met tegenliggers. Haar schrikreactie en val waren mede het gevolg van haar eigen onvoorzichtigheid. Het Hof vond dat de fouten van de fietser en de fout van de automobilist (niet uiterst rechts rijden in een onoverzichtelijke bocht) ongeveer even zwaar wogen qua oorzakelijkheid. Daarom kwam het Hof tot de conclusie dat de 50%-regel van toepassing was.
De uitkomst van de zaak is dus dat de automobilist en zijn verzekeraar 50% van de schade van de fietser moeten vergoeden. Dit betekent dat het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank is vernietigd en de fietser alsnog een deel van haar schade vergoed krijgt. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op onze pagina over letselschade en ongevallen.